zondag 12 oktober 2014

Uitstel is geen afstel



Het wordt tijd dat ik Mama, mijn sponsordochter in Gambia, eens bereik. Ik moet haar vertellen dat ik later kom dan gepland. Al meer dan twee weken lukt dat me niet. Of ik krijg een man aan de lijn die vraagt hoe het met me gaat, óf ik krijg geruis van de zee, óf ik hoor helemaal niets. Ze heeft zeker haar mobieltje weer verloren. Of het is weer eens gestolen, of in de put gevallen, whatever..
De telefoon gaat twee keer over. Op het schermpje zie ik het nummer van Mama’s vriendin. Eindelijk is ze op het idee gekomen om Jarra’s mobieltje te gebruiken.
“Hello Mama, how are you?” Het is de standaard wedervraag als ik haar terugbel met “Hello Mama, it is me, Mama”.
Voor de duidelijkheid, zij heet Mariama en wordt Mama genoemd. Ik heet Mama Africa. De naam die ze mij gaf toen ik in 2007 haar ontmoette tijdens de Amsterdam Dakar Challenge.
“Fine fine” is normaal gesproken het standaard antwoord. Maar dat gaat even niet op en dus antwoord ik met het volgende Gambiaanse cliche: “I am managing”, wat zoveel betekent als “het gaat niet goed maar ik doe het ermee”.
Ik vertel haar dat de wond op mijn been verergerd is en dat ik inmiddels een operatie heb ondergaan. Dat ik de vlucht op 20 oktober heb moeten cancelen. Ze is er niet blij mee en zegt dat ook. “Mama, sorry for you, but you know.. I am so sad.. there is no work…nothing. I am sitting the whole day.” Ze vertelt dat de toeristen die andere jaren vooraf boekten allemaal afgezegd hebben. “They are afraid for the ebola Mama”. Zelfs de dure chique Lodge Sandele moet het ontgelden.  Geen klanten.

Net nu het er op leek dat Afrika een beetje uit het dal kwam, slaat deze epidemie toe. En het heeft niet alleen effect op de landen die zijn getroffen, heel Afrika lijkt “besmet”. Niet met Ebola, maar met het angstvirus. Toeristen blijven weg, hotels en lodges blijven leeg, personeel krijgt geen contract. Het is zo ongeveer de enige business in Gambia: eten, drinken, slapen en vervoer. Voor de rest kunnen ze het schudden. Omdat de lokale bevolking geen geld meer heeft nemen ze ook geen taxi’s meer. Ze blijven thuis of doen het zoveel mogelijk lopend. De markten worden sowieso afgeraden zegt Mama. “If we come back from the market we have to wash all our clothes, but we have no money for Omo” zegt ze sip.
Ik wordt er ook verdrietig van. Wat ben ik nou voor ‘sponsormother’ dat ik haar zo aan laat modderen?! Voor augustus en september kon ze wat geld bij Tapha ophalen. Om te overleven. Nu houd ik mijn mond en zeg alleen maar dat ik eraan kom : “Kanaale Mama, kanaale!” En dat ze binnenkort mijn huis mag schoonmaken. En koken voor de werkers, denk ik er achteraan, maar ik zeg het niet. Ze is stil. Ik hoor haar denken “Mama house?” “Ja je weet wel, mijn Roundhut, daar ga ik straks toch wonen?” verduidelijk ik. “Oh yes i see.”  Ze klinkt niet erg overtuigd.

In de logeerkamer staat mijn koffer gepakt. Het logeerbed ligt vol met losse spullen die mee moeten. Vijftig kilo overbagage had ik geboekt. Maar of ik dat straks allemaal mee krijg.. Wanneer is ‘straks’ eigenlijk? Want dat is de grote vraag. Hopelijk eerste week van november. Dan moet de ellende met mijn been toch wel achter de rug zijn. Maandag naar de polikiniek, waar de chirurg gaat beslissen wanneer de huidtransplantatie plaats kan vinden. Want een driehoek uit je been waar geen huid meer op zit geneest niet zomaar. Helaas. Nee geen pindakaas, want dat hebben ze daar genoeg. Dat dan weer wel.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten